Het wordt maar geen oorlog

Mijn moeder is onlangs gestorven. Toen ik de zolder opruimde kwam ik de vuilniszak tegen waar ze restjes wol in bewaarde. Wij breiden vroeger al onze truien. De truien die te klein waren, haalden we uit en met de rest­jes die mijn moeder had bewaard, breiden we een grotere. We liepen ermee voor schut, want de gewassen gedeeltes staken af met de nieuwe stukken. Niet dat wij zo vrese­lijk arm waren, maar als het oorlog werd, moesten we ons zien te redden. Het zou best gezellig geweest zijn, ware het niet dat we tijdens het werk oorlogsverhalen te horen kregen. Niet de strijd van de soldaten, maar de strijd van de huismoeders om letterlijk de eindjes netjes aan elkaar te knopen, zodat iedereen het een beetje warm had. We werden opgedreven om harder te werken, want de oorlog kon ieder moment losbarsten.

De oorlog is nooit meer uitgebroken tijdens haar leven en al haar noeste arbeid is niet lachwekkend, maar toch ook een beetje zielig. Een beetje huiverig maakte ik de zak open. Het was een trieste aanblik. Gekronkelde draden, soms op bollen gerold. De meeste draden waren te kort om nog ergens voor te dienen. Ik haalde er een paar uit. Ineens kwam die herinnering boven. Ik moest een trui uit­halen en gaandeweg was de wol in de knoop geraakt. In paniek probeerde ik de zaak te ontwarren maar het was hopeloos. Het was een grote verwarde kluwen.

Ze betrapte me natuurlijk. Ik had niet alleen mijn zus een trui voor de winter ontzegd, ook alle toekomstige truien die ze nodig had. Ze sloot me een halve dag op in een kast om erover na te denken. Dat was nog niet het ergste, mijn zus had inderdaad geen trui die winter. Zodra we buiten waren en uit het zicht van mijn moeder, gaf ik haar de mijne. Die was te groot, maar dan had ze het tenminste warm. Ik had het steenkoud, want het was een vreselijke winter met een heleboel sneeuw. Toen ik zwaar verkou­den werd, maakte mijn vader er een eind aan. Hij kocht een trui voor mijn zus. Mijn trommelvliezen bonken nog van de ruzie die mijn ouders kregen. De trui belandde in de vuilnisbak omdat hij geen enkele kwaliteit had. Wel kocht ze nieuwe wol en breidde een trui voor mijn zus. Dat blauwe draadje herinnert me nu aan die trui.

Ze was niet alleen erg precies met wol, ook met stoffen. Winterjassen werden vermaakt, dat wilde zeggen: er werd een strook aangezet als ze te kort waren of ze wer­den uit elkaar gehaald en van twee jassen werd een nieu­we gemaakt. Wij liepen voor schut en op school durfde niemand bevriend met ons te zijn. Dat was niet zo heel erg, wij zussen hadden elkaar en mijn moeder zou toch geen vrienden van ons binnenlaten. Mensen die niet tot het gezin behoorden waren spionnen en kwamen kijken hoe het er bij ons aan toeging.

Om ons verder voor te bereiden op de oorlog leerden wij inmaken, fazanten schoonmaken en een strik zetten om konijnen te vangen. We moesten de groentetuin bijhou­den, jam maken en appelen eten die voor driekwart rot waren. De wereld waar ik in terecht kwam toen ik het huis uit ging vanwege mijn werk, was onherkenbaar. Mensen aten bij Mac Donalds, gooiden truien weg die nog goed waren en nog pasten en karnden niet zelf hun boter. Het duurde minstens twee jaar voor ik me enigszins had aan­gepast.

Mijn hele leven lang is het nooit oorlog geworden, maar ik bezit alle kwaliteiten om die te doorstaan. Waarschijn­lijk had ik meer gehad aan een opvoeding waarin ik had geleerd om geld over te schrijven of een gesprek te voeren over winkelen of tv-programma’s.

Zou iemand in het Midden-Oosten iets hebben aan de op­voeding die ik heb gehad? Zou zo iemand minder lijden? Ik vraag het me af. Wel word ik woedend dat het nog er­gens oorlog is. Ik vrees dat ik een tweede generatie oor-logslachtoffer ben. Het was ziek wat mijn moeder deed, zelfs voor iemand die de oorlog had meegemaakt. Als het nu vrede wordt in het Midden-Oosten, gaat de oor­log voor sommige mensen nog lang door, misschien nog generaties lang.

De boosheid die ik lang gevoeld heb naar mijn moeder toe is over. Ook omdat ik soms toch wel iets gehad heb aan de dingen die ze me bij heeft gebracht, maar ik neem het haar kwalijk dat ze zoveel aandacht opeiste. Mijn hele jeugd lang ben ik alleen bezig geweest om te voorkomen dat ze boos werd en daardoor heb ik de meest onzinnige dingen gedaan zoals het eten van rotte appels. Mijn faal­angst is mijn leven lang niet overgegaan, misschien lukt me dat nog in de jaren die me resten. Ik werk eraan.

Anoniem: verwoord door Olga Maria Berger