Lowlands, de vakanties zijn altijd moeilijk voor mijn zoon.

Iedereen van zijn leeftijd gaat weg met zijn gezin en hij zit een­zaam thuis. Hij wil meer dan ooit een vriendin, kinderen, niet meer eenzaam zijn.

Deze vakantie werd hij door een paar vrienden uitgeno­digd om mee naar Lowlands te gaan. In april toen de kaar­ten gekocht moesten worden, had hij enthousiast gezegd dat hij mee zou gaan. Hoe dichter de datum naderde hoe zwaarmoediger hij werd. Hij zag er als een berg tegenop.

‘Ik houd het niet vol,’ zei hij iedere keer als ik hem aan de telefoon had.

‘Dan ga je toch gewoon weer naar huis,’ gaf ik als antwoord. ‘Niemand zegt dat je vijf dagen moet blijven.’

‘Je kunt er niet weg, het veld ligt buiten Almere.’‘Dan neem je wat extra geld mee voor een taxi.’

Het weekend ervoor ging ik naar hem toe. Regenlaarzen kreeg ik hem niet aangesmeerd, daar ging hij niet mee lopen. We kochten een regenpak, een paraplu en een zak­lantaarn. Vooral van de zaklantaarn leek hij in de stem­ming te komen. Samen maakten we een lijstje met benodigdheden. Op het grasveld achter zijn appartement bouwden we zelfs de tent op. Hij is handig genoeg om dat zelf uit te zoeken, maar in zijn zwartste buien vindt hij dat hij niets kan, zelfs geen haring in de grond slaan.

Toen ik wegging was ik ervan overtuigd dat hij zou gaan en bereidde me er in mijn achterhoofd op voor dat ik even­tueel naar Almere zou rijden als het echt niet lukte, maar hij moest het proberen. De deur uit, mensen ontmoeten. Ik begrijp echt wel dat de indrukken teveel zouden kun­nen zijn, maar zo nu en dan een grens opzoeken, dat moet iedereen, hij ook.

Ik vond mezelf erg streng en soms vroeg ik me af of ik geen psychose aan het uitlokken was, maar dat was dan maar zo. Geen vakantie vond hij vreselijk, depressief was hij al en dat is net zo erg als een psychose.

De dag ervoor belde ik hem. Hij had alles ingepakt, maar hij zou niet gaan en het hele verhaal dat het te druk was en dat hij het niet aan kon, begon opnieuw.

Ik vroeg of hij de oplader van zijn telefoon had ingepakt, want die waren we vergeten om op het lijstje te zetten. Nee, had hij niet, maar die ging hij meteen in zijn rugzak doen. Ik maakte zo snel mogelijk een eind aan het ge­sprek, zodat hij niet meer kon klagen.

Toen ik hem de volgende dag belde, was hij al naar een van zijn vrienden gegaan en waren ze boodschappen aan het doen. Hij klonk opgewekt, maar hij klinkt altijd opge­wekter als anderen hem kunnen horen.

Hij hield het al de vijf dagen vol, hoewel het vreselijk weer was. Zijn ogen straalden toen ik hem via de skype zag. De meeste concerten waren geweldig geweest.

‘Iedereen valt een beetje in een gat na iets geweldigs,’ zei ik. ‘Misschien ben je een beetje katerig deze week.’

Had ik maar niets gezegd. Hij had geen kater, hij viel in een enorm gat. Daar is hij nu nog niet uit. En toch … dit is allemaal beter dan dat hij op die kamer was blijven zitten.

Anoniem: verwoord door Olga Maria Berger