Mijn dochter was vreselijk depressief na een psychose.

Het was niet om aan te zien. ‘Slik je de stemmings-stabilisator wel?’ vroeg ik toen de depressie wel erg lang aanhield.

‘Nee, natuurlijk niet, daar wordt je kaal van.’

Ik weet niet wat ik zelf op dat moment liever had gehad, kaalheid of een depressie. Echt, van een afstand leek ze het heel zwaar te hebben, maar blijkbaar niet zwaar ge­noeg om er iets aan te doen en eventuele kaalheid te ris­keren.

Met haar praten over medicijnen is eigenlijk taboe, maar toen ik haar opzocht vroeg ik of ik de bijsluiter mocht le­zen. Bijsluiters geven een wirwar aan informatie. Van een medicijn kunnen je nieren het begeven of je wordt er mis­selijk van. Dat je er kaal van werd, dat had ik nog nooit gelezen.

‘Bemoei je er niet mee,’ zei ze. ‘Wat staat er precies?’ hield ik aan. ‘Dat je er kaal van wordt of dat je er haaruitval van kunt krijgen?’. ‘Wat maakt het uit?’. ‘Bij haaruitval groeit je haar weer aan.’ ‘Onzin.’‘Toen ik zwanger was van jou, zat er iedere ochtend een bos haar in mijn borstel.’‘Waarom probeer je het goed te praten, die kaalheid?’‘Ik probeer het niet goed te praten, ik probeer het recht te praten. Wat je ermee doet mag je zelf weten.’

Ze zei niets meer en na een kwartier ging ik maar. Ik geloof niet dat het geholpen heeft, dat gesprek.

Ze wil die medicijnen gewoon niet nemen en liever depri zijn. Misschien moet ik me daar dan minder van aantrek­ken, of is dat te kort door de bocht?

Anoniem: verwoord door Olga Maria Berger